Slechts 56 % van de Joodse bevolking die in 1940 in België woont, overleeft de oorlog. Mechelen fungeert als een wachtkamer voor de dood.

Door de centrale ligging van de stad tussen Antwerpen en Brussel kiezen de Duitsers ervoor in de Dossinkazerne het SS-Sammellager Mechelen te vestigen, van waaruit de transporten van Joden naar de concentratie-en vernietigingskampen vertrekken.

Een synthese van deze geschiedenis wordt weergegeven in het Joods Museum van Deportatie en Verzet en mag bij het lezen van het verhaal van de redding niet uit het oog worden verloren. De tentoonstelling Emilie Fresco (2005) focuste zich op het deel van de Joodse bevolking dat tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de dood kan ontkomen.

De organisatie van de onderduik is geen georchestreerd gebeuren.
Wanneer in de tweede helft van 1942 stilaan het besef groeit dat dit de enige manier is om de Joodse bevolking uit de handen van de nazi's te houden, worden er van verschillende kanten acties ondernomen.

Aanvankelijk nemen privé-initiatieven de bovenhand: Joodse moeders en vaders polsen bij vrienden en kennissen naar een schuiladres. Inde nazomer van 1942 treedt de kinderafdeling van het Joodse Verdedigingscomité in werking. Het aantal medewerkers stijgt in de loop der maanden en men gaat steeds grootschaliger en gestructureerder te werk. Het uitgekiend administratief systeem, waarvan hogerop sprake is, getuigt hiervan. Tegelijkertijd worden er ook in andere kringen stappen genomen.

Naarmate er zich meer mensen gaan bekommeren om het lot van de Joden, groeien er spontane samenwerkingsverbanden. Veelal is dit een zaak van mond aan mond reclame en 'ons kent ons'. Priesters vragen bevriende kloosters of deze geen plaats hebben voor een Joods kind.

Joodse ouders die hun kind ergens hebben kunnen onderbrengen, geven dit adres door aan vrienden en familie. Het beeld dat één organisatie, met name het JVC, de onderduik organiseert en hierbij de katholieke wereld betrekt, is maar ten dele juist. Het beeld dat het JVC onafhankelijk opereert van de katholieke redders is eveneens incorrect. Sommige katholieke netwerken opereren hoofdzakelijk onafhankelijk, anderen werken sporadisch of vaak samen met het JVC.

Omdat men in België kon bouwen op enkele bestaande samenwerkingsverbanden, kunnen zoveel mensen in veiligheid worden gebracht (het spreekt voor zich dat een reeds bestaande structuur efficiënter werkt). In de Mechelse casus vergemakkelijkt een specifieke vooroorlogse structuur in zekere mate de opvang van de Joodse kinderen. Het betreft hier het netwerk dat werd uitgebouwd ten behoeve van de Baskische kinderen die Spanje ontvluchtten tijdens de burgeroorlog in de tweede helft van de jaren 1930.

In I937 deed de bisschop van Vitoria in Baskenland een oproep aan kardinaal Van Roey. Door de Spaanse burgeroorlog was de toestand rond Bilbao ondraaglijk geworden en werd door de Baskische autoriteiten besloten de kinderen naar het buitenland te evacueren. De bisschop van Vitoria vroeg de kardinaal of deze kinderen konden worden opgevangen in katholieke families en instellingen in België.

Kardinaal Van Roey gaf hieraan gehoor en richtte het 'Baskisch kinderwerk Z. Em. Van Roey' op. Deze organisatie werd geleid door een raad met een afgevaardigde van elk bisdom en werd voorgezeten door de Vicaris Generaal Jansen. Er werden plaatselijke comités opgericht, die families en kloosters aanspoorden Baskische kinderen op te vangen". In Mechelen was deze organisatie bijzonder actief in en rond Mechelen herbergden heel wat instellingen en particulieren Baskische kinderen.

Er is een zekere overeenkomst tussen deze plaatsen en de plaatsen waar later Joodse kinderen kunnen onderduiken. Het feit dat er voor de oorlog reeds bekend was welke instellingen bereid waren kinderen op te vangen, heeft het zoeken naar onderduikplaatsen voor Joodse kinderen tijdens de Tweede Wereldoorlog vergemakkelijkt (hoewel het opvangen van Joodse kinderen anders was omwille van de risico's die hieraan verbonden waren).

Drie katholieke 'netwerken' bekommeren zich in Mechelen in het bijzonder om de Joodse kinderen, met name deze rond René Ceuppens, Ivo Cornelis en de zusters franciscanessen. Hun activiteiten zijn onderling verweven.

René 'Tonton' Ceuppens, de spilfiguur van het 'Mechelse netwerk'

Aan de rand van Sint-Katelijne-Waver nabij Mechelen ligt het enigszins vervallen kasteeltje Dijkstein. Het wordt bewoond door een vreemdsoortige mengeling van personen: René Ceuppens, priester en secretaris op aartsbisdom, Herman Frateur, eveneens priester en secretaris op het aartsbisdom, Alex Ledur (met als schuilnaam Alfred Lepateux), een Luiks seminarist afkomstig van in de buurt van Malmédy en deserteur uit het Duitse leger, Leopold Michiels, afkomstig van Ruisbroek, student aan het De Naeyer instituut in Mechelen en lid van het Geheim Leger, Martin, Josu en Xabi Aguirre, drie Baskische broers, die op het einde van de jaren 1930 vanuit Spanje naar België gevlucht waren om te ontkomen aan de gevaren van de Spaanse burgeroorlog, Emma Van de Vliet, de huishoudster.

Naast deze vaste bewoners is er een va-et-vient van allerlei andere personen die in de woelige oorlogsjaren nood hebben aan een tijdelijk onderkomen. Zo fungeert het kasteel als onderduikadres voor werkweigeraars, als doorgangshuis voor vluchtelingen en militairen op terugweg naar Engeland en als een schakel in een verdeelketen van Joodse kinderen

Dijkstein omstreeks 1930
foto: Gemeentelijk Documentatiecentrum Marcel Dillen

De spilfiguur van dit alles is René Ceuppens (°25/10/1911). Na zijn priesterwijding werd hij aangesteld als godsdienstleraar op het klein seminarie van Basse-Wavre. Tijdens de mobilisatie en de 18-daagse veldtocht was hij legeraalmoezenier. Na de capitulatie werd hij secretaris op het aartsbisdom en zo kon hij functioneren als verbindingsman tussen de kardinaal en het Geheim Leger'", Ceuppens is een man van de daad.

Wanneer de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, is het voor Ceuppens vanzelfsprekend zich te verzetten tegen de Duitse bezetting, omdat hij een overtuigd democraat is en bovendien uitgaat van een absolute loyaliteit ten opzichte van België. Naarmate de oorlog vordert, legt hij zich meer en meer toe op de hulp aan Joodse kinderen.

Pasfoto die René Ceuppens tijdens de oorlog gebruikte op zijn valse identiteitskaart.
Foto: Martin Aguire

Het begin van Ceuppens' engagement; Madeleine Sorel

Gedurende de jaren 1930-1935 is Madeleine Sorel vice-voorzitter van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (NWK). In 1935 opent ze een home voor kinderen met karakter- of leerstoornissen in het kasteel Beau Séjour in Linden (bij Lubbeek). Vanaf 1942 stelt ze dit tehuis open voor Joodse kinderen. Meer dan 60 Joodse kinderen en enkele Joodse volwassenen hebben hun leven aan haar te danken.

Madeleine Sorel heeft vele connecties in katholieke kringen. Zo onderhoudt ze nauwe contacten met Bruno Reynders (père Bruno, een pater van de Keizersbergabdij in Leuven), René Ceuppens en Joris Ceuppens (de broer van René Ceuppens).

Père Bruno engageert zich als eerste voor de Joden. Hij verbleef de jaren voor de oorlog in Duitsland en was erg aangedaan door de erbarmelijke situatie van de Joden daar. In 1942 wordt père Bruno benoemd tot aalmoezenier in een home voor blinden in Hobdomont.
Na een tijd beseft hij dat de meeste mensen die daar verblijven even goed zien als hij zelf: het zijn Joden die daar een onderkomen hebben gevonden. Op deze manier komt père Bruno (zijn ervaringen in Duitsland indachtig) terecht in het verzet tegen de deportatie van Joden. Hij werkt vooral samen met de Luikse advocaat Albert Van Den Bergh, het Luikse bisdom (onder leiding van Monseigneur Kerkhofs) en met de Naamse priester abbé André. 307 Joden hebben hun leven aan hem te danken. Waarschijnlijk was het père Bruno die Madeleine Sorel ervan kon overtuigen Joodse kinderen in Linden een schuilplaats te geven.

Tal van Joodse kinderen komen in het kasteel in Linden wonen. Mensen die Joodse kinderen plaatsen, weten dat ze op elk moment bij Madeleine Sorel terecht kunnen. Het kasteel fungeert als een doorgangsplaats. Kinderen voor wie nog geen oplossing is gevonden, verblijven er tijdelijk. Vooral voor de oudere kinderen moet er zo snel mogelijk een andere verblijfplaats worden gevonden. Omdat de home bedoeld is voor jongere kinderen, vallen deze op. Ook enkele Joodse volwassenen vinden hun toevlucht in Linden. Zij helpen in het huishouden. Naast père Bruno plaatst ook het JVC verschillende kinderen bij Madeleine Sorel.
Het tehuis is immers afhankelijk van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn, waarmee het JVC nauw samenwerkt. Terug naar René Ceuppens . . . Ergens in de tweede helft van I942 verneemt hij de clandestiene activiteiten van Madeleine Sorel. Op deze manier raakt hij hoogstwaarschijnlijk betrokken bij het verstoppen van Joodse kinderen.

Ceuppens en zijn helpers

Ergens in de tweede helft van 1942 neemt René Ceuppens zich voor om, net als Madeleine Sorel, Joodse kinderen uit de handen van de Gestapo te redden. Als één van de secretarissen op het bisdom en graag geziene figuur in de Mechelse katholieke middens heeft hij hiervoor de nodige relaties. Zijn contacten met kloosters en gezinnen wendt hij aan om onderduikplaatsen voor de kinderen te vinden.

Een analyse van de plaatsen waar hij kinderen verstopt, maakt duidelijk dat op verschillende adressen enkele jaren voordien Baskische kinderen een onderdak vonden. Hoewel René Ceuppens niet persoonlijk betrokken was bij het Baskisch Kinderwerk van kardinaal Van Roey kent hij mensen die hierin wel geëngageerd waren. Een belangrijk persoon is de priester Herman Frateur, die in zijn huis in de Bleekstraat te Mechelen Baskische kinderen opving en ook een organisatorische rol vervulde in het Baskisch Kinderwerk.

In het begin van de oorlog huren Frateur en Ceuppens samen het kasteeltje Dijkstein in Sint-Katelijne-Waver. In de ene vleugel wonen Herman Frateur en de Baskische familie Zuaznabar. Deze familie woont er enkele maanden totdat de vader de toelating krijgt naar Spanje terug te keren. In de andere vleugel wonen René Ceuppens en de broers Aguirre. Deze drie Baskische jongens vonden dankzij het Baskisch Kinderwerk een toevlucht in België en werden opgevangen in de schippersschool in Klein Willebroek. Wanneer de meeste Spaanse kinderen op het einde van de jaren 1930 weer naar hun geboorteland terugkeren, blijven de kinderen Aguirre in België. Hun vader is geïnterneerd en de familie kan niet herenigd worden. Omdat ze te oud zijn geworden om in de schippersschool te blijven, moet naar een oplossing voor hen worden gezocht. Uiteindelijk neemt René Ceuppens de jongens onder zijn hoede. Martin Aguirre, één van de jongens,vermoedt dat dit gebeurde op vraag van Frateur.

Herman Frateur en René Ceuppens kennen elkaar dus zeer goed. Hoewel Frateur niet actief betrokken is bij de redding van Joodse kinderen, is hij hiervan zeker op de hoogte. Frateur kan Ceuppens verschillende tips geven van onderduikadressen, die hij zich herinnert van zijn werkzaamheden voor het Baskisch Kinderwerk. Het kasteel Dijkstein dient als doorgangsplaats voor Joden die nog geen definitieve onderduikplaats hebben gevonden. De bewoners van dit kasteeltje worden zoveel mogelijk ingezet". Leopold Michiels, een student en Martin Aguirre, de oudste van de Baskische kinderen wonen daar tijdens de oorlog en worden enkele keren op pad gestuurd om een Joods kind te plaatsen. Ze zien op Dijkstein regelmatig vreemde gezichten. Het is een ongeschreven regel niet aan Ceuppens te vragen wie deze mensen zijn. Indien ze zouden gearresteerd worden, is het immers veiliger dat ze zo weinig mogelijk weten. Het rondreizen met kleine kinderen is erg gevaarlijk, omdat deze de ernst van de situatie niet steeds beseffen en gemakkelijk hun mond voorbij praten.

Emma Van de Vliet, de huishoudster op Dijkstein, is ook nauw betrokken bij de redding van de Joodse kinderen. Als vertrouwenspersoon van Ceuppens neemt ze regelmatig Joodse kinderen, die omwille van plaatsgebrek of veiligheidsredenen niet op Dijkstein kunnen blijven, mee naar huis. De kinderen logeren dan in haar woning op de Grote Nieuwendijk in Mechelen tot er een andere schuilplaats voor hen is gevonden. Buiten de kasteelmuren kan René Ceuppens op enkele trouwe helpers rekenen. Zijn broer,Joris Ceuppens, die tijdelijk onderpastoor is in Lubbeek, zoekt mee naar onderduikplaatsen. In codetaal brengt hij René Ceuppens op de hoogte wanneer hij een gezin gevonden heeft.

Beste Broer, Ik heb reeds aan vijf families gesproken om uw konijnen te verkoopen. Twee of drie zullen het doen. Een houdt er absoluut aan dat het 'n moertje is - de anderen mogen raars zijn - verder is er nog niet over gesproken. Maar ze zouden graag weten of het wel rasechte beesten zijn - en hoe oud enz. ze koopen niet graag katten in zakken. Komt ge niet eens af voor dat ge ze levert".

Een andere Lubbeekse dame met wie Ceuppens samenwerkt, is Maria Dechamps, een verpleegster bij het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn. Haar huis is een doorgangsplaats voor Joodse kinderen. Voorts controleert zij de toestand van de kinderen die via Ceuppens in de omgeving zijn ondergedoken.

Ook de monitrices die in de home van Melle Sorel werken, worden actief betrokken bij het in veiligheid brengen van Joodse kinderen via René Ceuppens. Mademoiselle Maman [Madeleine Sorel} bracht me op de hoogte dat ze Joodse kinderen verstopte: ik was hier akkoord mee. Verschillende keren heb ik de tram genomen van Linden naar Leuven en dan van Leuven naar Mechelen - ik had 2 of 3 kinderen bij me, die ik toevertrouwde aan een vriend van abbé Ceuppens op het perron (ik herkende hem door een teken dat M": Sorel me gaf). Daarna ging ik terug naar Linden".

Tot slot werkt Ceuppens samen met Marie Madeleine Carlier uit Brussel, eveneens een verpleegster van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn. Zij plaatst Joodse kinderen van wie de ouders haar om hulp komen vragen.

Ceuppens en het Joods Verdedigingscomité

René Ceuppens zoekt actief naar nieuwe onderduikadressen voor het JVC. Ongeveer één maal per maand stuurt de organisatie een vertegenwoordigster naar het bisdom om deze lijst op te halen.
Naast het zoeken naar adressen plaatst Ceuppens ook enkele kinderen van het JVC. Het gaat hier over kinderen die via het JVC bij Madeleine Sorel terecht komen. Door ze elders te plaatsen, komt er ruimte vrij voor andere kinderen. Het JVC blijft voor deze kinderen verblijfsgeld betalen. Geld en voedselzegels worden via Madeleine Sorel aan Ceuppens bezorgd. Ceuppens deelt de organisatie niet altijd mee waar hij de kinderen juist verbergt. Waarschijnlijk spelen veiligheidsoverwegingen hierin een rol.
Ceuppens werkt dus enerzijds samen met het JVC en opereert anderzijds zelfstandig. Het komt erop aan zoveel mogelijk kinderen te redden. Naargelang de situatie wordt de efficiëntst mogelijke werkwijze gekozen.

Verraad ...

De onderduik is een tot de verbeelding sprekende en spannende episode uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Samen met een Joods jongetje op de trein zitten tegenover Duitse soldaten . . . Midden in de nacht een Joods meisje op je bagagedrager naar de andere kant van het land fietsen ... Het klinkt avontuurlijk in de oren. In de realiteit worden er serieuze risico's genomen en staan er mensenlevens op het spel.

Wanneer ergens een verrader gesignaleerd wordt, moeten de kinderen op korte tijd in veiligheid worden gebracht. Indien er niet meteen een andere plaats wordt gevonden, worden de kinderen tijdelijk in Dijkstein opgevangen. De helpers van Ceuppens verwittigen hem in bedekte termen wanneer hij op zijn hoede moet zijn. Als er mensen worden opgepakt die van zijn activiteiten op de hoogte zijn, loopt hij gevaar. Onder druk beginnen zoveel mensen te praten ...

Er was ook juist nieuws van onze 2 vrienden. Ze zijn absoluut in slecht gezelschap in Brussel, ergens zooals er zoovelen verloren loopen tegenwoordig. Naar 't schijnt zijn ze niet alleen, maar al de baantjes vooruit zijn op slechte weg geraakt. Ik verwittig U dus, als broer, voorzichtig te zijn opdat ge het pad der deugd niet zoudt verlaten. Daar moet 'n vrouw in het spel zijn die in Brussel ze allen erin gedraaid heeft".

De kinderen die bij Madeleine Sorel verblijven, kunnen maar ternauwernood aan de Duitsers ontkomen. In maart 1944 komt een auto met twee Duitse soldaten het landgoed van Linden opgereden. De soldaten komen de confiscatie van het domein aankondigen. Binnen de acht dagen moet het kasteel ontruimd zijn. Bij hun vertrek fluistert een soldaat Madeleine Sorel in het oor dat ze ervan op de hoogte zijn dat ze Joodse kinderen in het kasteel verbergt. Hij zegt haar dat het hun taak niet is deze te arresteren, maar dat ze er wel zeker van mag zijn dat hiervoor andere soldaten zullen komen. In paniek trommelt Madeleine Sorel al haar contactpersonen op. Binnen de 48 uur worden alle Joodse kinderen geëvacueerd. In Branchon wordt een ander kasteel (Cháteau de Bonejjè) gevonden voor de kinderen". Ook René Ceuppens helpt mee met de ontruiming van het kasteel.

De beschermelingen van René Ceuppens

Hoeveel kinderen René Ceuppens juist kan plaatsen, is onduidelijk. Slechts van een zevental kinderen hebben we de geschiedenis kunnen reconstrueren . De briefwisseling maakt evenwel duidelijk dat het over een veel groter aantal kinderen gaat. Jeanne Holemans, de dochter van de huishoudster Emma, denkt zelfs dat Ceuppens een honderdtal Joodse kinderen bij haar moeder liet overnachten. Dit is zeker een overschatting.

Joodse kinderen in de tehuizen van Cornelis

In 1913 wordt Ivo Cornelis onderpastoor van de Sint Rombouts- parochie in Mechelen. Hij zet zich in voor de armen in zijn parochie. In 1921 neemt hij enkele hulpbehoevende jongens bij zich in huis.
Al gauw komen er enkele andere kinderen bij. Het aantal groeit zo snel aan dat Cornelis in 1931 besluit een jongenstehuis op te richten op de Wollemarkt, vlak tegenover het aartsbisdom. Niet enkel weeskinderen maar ook landlopers en bedelaars kunnen er terecht. Op het einde van de jaren 1930 vinden er enkele Baskische kinderen tijdelijk hun toevlucht tot er een opvanggezin voor hen gevonden is. In 1933 wordt in Weelde Statie (bij Turnhout) een tweede tehuis geopend. In 1942 (na de dood van zijn moeder) komt er een derde tehuis bij in de ouderlijke woning van Ivo Cornelis in Niel.

Met de Tweede Wereldoorlog breekt een moeilijke periode aan. Het wordt steeds moeilijker om voldoende eten te vinden voor de jongens. Toch blijft Cornelis zoveel mogelijk hulp bieden. Niet enkel verzetsleden, maar ook Joodse mensen vinden een onderdak in zijn tehuizen. In zijn jongenstehuizen in Mechelen, Niel en Weelde verbergt Ivo Cornelis een 25-tal Joodse jongens.

Ivo Cornelis met één van zijn beschermelingen omstreeks 1935.
Foto: Willy Verbeeck

De kinderen komen op verschillende manieren bij Cornelis terecht. Ook hier duikt René Ceuppens weer op. De twee geestelijken vertoeven allebei in de Mechelse katholiekekringen en kennen elkaar goed.
Bovendien was Cornelis actief in de opvang van de Baskische kinderen en bouwde hij in die periode een erg goede relatie op met Herman Frateur (de priester die ook op Dijkstein woont). Het verbaast dus niet dat Ceuppens aan de huizen van Cornelis denkt om een aantal van zijn Joodse beschermelingen onder te brengen.

Ook het JVC brengt zes kinderen onder bij Corneli. Enkele van deze kinderen worden naar Ivo Cornelis gebracht door Leopold Flam, die deel uitmaakt van de Antwerpse afdeling van het JVC. Op welke manier de andere kinderen bij Cornelis komen, is niet duidelijk. In de huizen van Cornelis is er een constante va-et-vient, zodat het niet zo opvalt wie erbij komt en wie weg gaat. Daarnaast vermijdt iedereen het over zijn herkomst te praten, aangezien vele kinderen uit probleem- gezinnen komen en een erg moeilijke jeugd doormaakten. Op deze manier valt het niet op dat er Joodse kinderen zijn. Ook de enkele Joodse volwassen vrouwen die er verblijven, trekken geen aandacht.
De personeelsbezetting staat immers allesbehalve vast: deze is afhankelijk van het aantal beschikbare vrijwilligers. Dit alles maakt dat ooggetuigen moeilijk kunnen zeggen hoeveel Joodse kinderen er juist waren en hoe deze er kwamen, aangezien ze nooit geweten hebben wie al dan niet Joods was. Na de oorlog heeft Cornelis bijna nooit gesproken over de Joodse kinderen die hij kon redden.

Charles Wildstein

Eén jongen, Charles Wildstein, komt in ieder geval bij Cornelis terecht via Frans Cornelis (broer van), die onderpastoor is in de Sint Michielsparochie te Antwerpen. Het gezin Wildstein woont tijdens de oorlog in de Kammenstraat naast de familie Delville, die daar een fotografiewinkel heeft. Wanneer vader en moeder Wildstein beseffen dat het te gevaarlijk wordt om in hun huis te blijven, verhuizen ze in het geheim naar de Rijke Beuckelaerstraat in Antwerpen. Het gezin verblijft in de zolderkamers en vader Wildstein, die kleermaker is, betrekt een atelier op de tweede verdieping. Na verraad wordt vader Wildstein daar in februari I944 aangehouden. De Duitsers weten niet dat heel de familie daar woont en ontdekken bij de razzia enkel Charles oudste zus. Omdat zij aan geelzucht lijdt, wordt ze niet meegenomen (de Duitsers zijn bang voor besmettelijke ziekten).

Moeder Wildstein vraagt haar vroegere buren, de familie Delville, om hulp. Deze familie zoekt een onderduikplaats voor de kinderen. De heer Delville is erg betrokken bij het plaatselijke kerkleven in de Sint Michielsparochie. Hij verzorgt daar de bibliotheek. De onderpastoor, Frans Cornelis, verwijst de heer Delville door naar zijn broer Ivo Cornelis in Mechelen. Ivo Cornelis contacteert op zijn beurt zijn connecties in het Antwerpse verzet om de tocht van Charles naar Mechelen te regelen. Joanna Van den Audenaerde, een Antwerpse dame die samenwerkt met de Antwerpse afdeling van het JVC (met leiders zoals Leopold Flam en Abraham Manaster), zorgt ervoor dat Charles in maart I944 uit Antwerpen weggeraakt. Eerst brengt de jongen enkele dagen in Zandvliet door. Daarna gaat hij naar het weeshuis van Ivo Cornelis in Mechelen. Gedurende de daarop volgende maanden gaat mevrouw Delville af en toe naar Mechelen om te kijken hoe het met de jongen gaat. Moeder Wildstein mag om veiligheidsredenen niet weten waar haar zoon verborgen is.

Charles Wildstein in het tehuis van Ivo Cornelis op de Wollemarkt in Mechelen, april 1944.
foto: Charles Wildstein

Een razzia in de tehuizen

Omdat er gevaar is voor razzia's worden de Joodse kinderen die zich in de tehuizen van Cornelis bevinden regelmatig verplaatst. Zo vertelt Aron Goldberg dat hij tijdens de oorlog in de huizen in Weelde, Niel en Mechelen verbleef en daarnaast nog bij twee families. De angst is terecht: op hemelvaartsdag 1944 (18 mei) wordt in de huizen van Cornelis een razzia gehouden. Zowel in Weelde als in Niel vallen de Duitsers binnen. Het verhaal doet de ronde dat ook in het huis in Mechelen een razzia plaats vond, maar daarvan werden alsnog geen bewijzen teruggevonden. In Mechelen bevinden er zich alleszins niet veel kinderen meer: door de hevige bombardementen daar werden er zoveel mogelijk kinderen verplaatst naar Weelde en Niel.

De Duitsers vallen eerst in Niel binnen en daarna in Weelde. Willy Verbeeck, de neef van Ivo Cornelis, woont in die tijd over het weeshuis van Cornelis en bevindt zich in Niel op het moment van de razzia. Hij herinnert zich dat de Duitsers met erg veel waren en dat ze op hen schoten, omdat ze aan de overkant van de straat stonden toe te kijken. De gaten van de kogels zijn nog altijd zichtbaar.

De Duitsers gingen naar mijn moeder, die aan de overkant van de straat woonde en vroegen naar de Joodse kinderen. Op één of andere manier waren wij verwittigd dat de Gestapo op komst was.
Mijn zus, die toen Is jaar oud was, was dan ook met de kinderen gaan wandelen om hen uit de handen van de Duitsers te houden. Mijn moeder heeft toen moeten bekennen dat haar dochter met de kinderen gaan wandelen was. Als ze dat niet deed, zou de Gestapo haar meenemen. Er was bovendien toch niets meer aan te doen, omdat de Duitsers als ze even zouden rondrijden de kinderen snel zouden vinden. Ik ben dan mijn zuster en de kinderen gaan halen. Alle kinderen - het waren allemaal jongens - moesten zich bij hun aankomst aan het tehuis uitkleden. De besneden jongens werden er uitgehaald. Ook werd een Joodse dame meegenomen.
Er was één zeer jong kind bij, voor wie Gornelis op zijn knieën gesmeekt heeft het te sparen. De Vlaamse SS'er wilde dit niet, maar een Duitse officier gaf uiteindelijk toch toe. Het kind is dan beginnen wenen voor zijn broertje dat uiteindelijk ook niet werd meegenomen. Waar de kinderen naartoe zijn gebracht, hebben wij nooit geweten. Wie Cornelis verraden heeft evenmin. Ivo Cornelis zelf (die op dat moment juist in Niel was) en mijn moeder zijn meegenomen naar de gevangenis van de Begijnenstraat in Antwerpen, maar werden ‘s anderdaags al vrijgelaten. Het verhaal doet de ronde dat dit te danken was aan de tussenkomst van kardinaal Van Roey bij de Duitsers.

Wat gebeurt er nu verder met de kinderen die worden opgepakt?
Vanaf mei 1943 worden kinderen die zonder ouders worden opgepakt niet meer gedeporteerd, maar ondergebracht in de weeshuizen van de Vereniging van de Joden in België (VJB) . Dit geldt dus ook voor de jongens die in de huizen van Cornelis worden gearresteerd. Léopold Jacobowicz (5 jaar), Jacob Mogilewski (4 jaar) en Simon Steil (5 jaar) worden op 19 mei 1944 naar de home voor peuters in de Rue Victor Allard in Ukkel gebracht. Charles Wildstein (waarvan boven sprake) komt op 19 mei 1944 aan in de home Là-Bas in Aische-en-Refail. Hij herinnert zich de razzia nog goed. Hij verbleef op dat moment in Niel, omdat de situatie in Mechelen te gevaarlijk werd wegens de aanhoudende bombardementen. Hij weet bijvoorbeeld nog dat hij zijn broekje moest neerlaten en aangehouden werd.

De franciscanessen

Tussen de Nokerstraat, de Sint Katelijnestraat en de Edgard Tinellaan bevindt zich het klooster van de zusters franciscanessen. In 1909 vestigden deze zusters zich in dit voormalige klooster van de Broeders Alexianen. Op de ring die de zusters op de dag van hun professie krijgen, staat gegraveerd dat ze 'dienstmaagd des heren' moeten zijn. Van meet af aan vervullen ze dan ook een sociale functie in deze achtergestelde wijk. Zo richten ze een kinderkribbe en een verplegingsdienst op en organiseren ze soepbedelingen.

In de dag- en nachtkribbe St. Maria van de franciscanessen verblijven in 1943 94 kinderen (zowel jongens als meisjes), die bijna allen jonger zijn dan 3 jaar. De zusterverpleegster mère Gervaine coördineert het geheel. Hiernaast werken er nog zes andere zusters en 11 kinderverzorgsters.
Naast de dag- en nachtkribbe herbergt het klooster ook nog het dagverblijf Engelbewaarder. In 1943 zijn hier maar 15 kinderen ingeschreven, die allen jonger zijn dan 3 jaar. In mei 1944 sluit deze afdeling. Tijdens de oorlog verblijven hier ook Joodse kinderen. Het juiste aantal is niet gekend. Getuigen spreken van tientallen Joodse kinderen.

Maria Bertens, een kinderverzorgster in de créche van de fransciscanessen, samen met de Joodse meisjes Wilma en Ester omstreeks 1943.
Foto: JMDV

De franciscanessen en de Duitsers van de kazerne Dossin

Aangezien het klooster vlak naast de Dossin kazerne gevestigd is, zijn de zusters op de hoogte van de mensonterende behandeling van de Joden die daar vast zitten. De zusters horen 's nachts de treinen vertrekken en worden regelmatig opgeschrikt door geweerschoten in de kazerne.

Het klooster heeft een bijzondere relatie met de Duitsers in de Dossin kazerne.

In het begin van de deportaties worden hele kleine Joodse kinderen, waarvoor in de Dossin kazerne niet meteen een plaats is, door de Duitsers toevertrouwd aan de zusters. Zodra een transport naar Auschwitz vertrekt, worden de kinderen daar weggehaald om samen met hun ouders gedeporteerd te worden. Omdat de Duitsers zorgvuldig noteren welke kinderen ze bij de franciscanessen onderbrengen, zijn de zusters telkens verplicht afstand te doen van de kinderen.

In een enkel geval kunnen de zusters de Duitsers voorliegen dat het kind overleden is.

Gedurende de eerste maanden na de opening van de kazerne, wanneer de transporten elkaar in een snel tempo opvolgen, is er dus een voortdurend verloop van Joodse kinderen in de crèche.

Naarmate de oorlog vordert, verandert de situatie en slagen de zusters er wel in Joodse kinderen permanent bij zich te houden.

Waarschijnlijk hangt dit samen met het feit dat vanaf mei 1943 Joodse kinderen zonder ouders niet meer gedeporteerd worden, maar worden ondergebracht in de homes van de VJB. Er bestaat een akkoord tussen de zusters en de chef van de kazerne, waardoor sommige hele kleine Joodse kinderen naar de crèche van de zusters mogen gaan in plaats van naar de VJB-homes te worden overgebracht.

Wanneer er nieuwe Joden in de kazerne aankomen, begeeft de moeder-overste, mère Eugène, zich persoonlijk naar de kazerne om de allerkleinsten op te vangen.
Ze is hierbij in het gezelschap van een zekere mevrouw Theunis, een dame die tot de zogenaamde mademoiselles de la ville behoort, enkele welgestelde dames die uit liefdadigheid in de crèche komen helpen. Mevrouw Van den Eynde, die tijdens de oorlog kinderverzorgster was in de crèche, herinnert zich zeer goed dat telkens er nieuwe Joden in de kazerne aankwamen, de zusters hen verzochten zoveel mogelijk nieuwe bedjes op te maken.

De contacten tussen de franciscanessen en de Duitsers in de Dossinkazerne beperken zich hier niet toe.

Gedurende een korte periode maken de zusters soep voor de kazerne. Twee Joodse geïnterneerden, vergezeld door twee Duitse soldaten, komen deze dan halen. Hiernaast brengen de zusters ook melk naar de kinderen die in de kazerne verblijven.
Op welke manier de zusters in oorlogstijd aan voldoende voedsel geraken, is niet geweten. In ieder geval speelt liefdadigheid hierin een erg belangrijke rol.

Zo smokkelt de Mechelse aannemer Van Poppel regelmatig allerlei voedingswaren vanuit Wallonië naar de zusters.

De franciscanessen en de illegale onderduikcircuits

Er is een duidelijk verschil tussen de VJB-homes en het klooster van de franciscanessen.
Terwijl de VJB-huizen een instrument zijn van de Duitsers om de gruwelijke realiteit van de jodenvervolging te camoufleren en de Duitsers zeer goed op de hoogte zijn van de bezetting van deze homes, heeft de situatie van de Joodse kinderen bij de franciscanessen een meer illegaal karakter.
In de eerste plaats trachten de zusters zoveel mogelijk Joodse kinderen door te sluizen naar andere adressen, waarvan de Duitsers niet op de hoogte zijn.

Het klooster opent bijkomende vestigingen in Walem (jongens) en op het domein Rosendaal in Sint-Katelijne-Waver (meisjes). Ook in de afdelingen van het klooster in Gooreind, Astières en Saint Rémy worden Joodse kinderen ondergebracht:".

In de tweede plaats staan de zusters in contact met het verzet.

Zowel René Ceuppens als Ivo Cornelis brengen kinderen naar de zusters. Ook het JVC zou in contact staan met het klooster. Sarah Kerner, één van de kinderen die bij de franciscanessen verblijft, is in ieder geval geregistreerd in het systeem van het JVC '66. Toch staat het klooster niet vermeld in de administratie van het JVC. Waarschijnlijk willen de zusters onafhankelijk blijven ten opzichte van deze organisatie.
De crèche van de franciscanessen fungeert in het begin van de deportaties dus net als de Dossinkazerne als een wachtkamer voor de dood. Mettertijd engageren de zusters zich in het verzet. Op dit punt moet worden toegevoegd dat, indien de Duitse nederlaag nog op zich had laten wachten, de Joodse kinderen hoogstwaarschijnlijk uit het klooster in Mechelen zouden zijn gehaald om gedeporteerd te worden (net zoals dit het geval zou geweest zijn voor de VJB-homes). Dit neemt niet weg dat de zusters intussen al een heel aantal kinderen konden verstoppen.
terug
Bron: Emelie Fresco – Redders en geredden in Mechelen tijdens de Twee Wereldoorlog. Begeleidend boekje van de tentoonstelling en levensverhaal van Emelie Fresco in De Noker te Mechelen van 05.11.2005 – 18-12.2005.

De tentoonstelling Emelie Fresco was een productie van Mechelen 2005 vzw in samenwerking met het Joods Museum van Deportatie en Verzet vzw, Project Transit Mechelen en Emmaüs vzw in het kader van het evenement Mechelen 2005, Stad in vrouwenhanden.